1.1 定冠词
De 是阳性和阴性名词的定冠词,het 是中性名词的定冠词。应在记忆单词时同时记
住其相应的冠词。虽然如此,尚有三个规律可循:
(一)名词复数的冠词都是de
(二)所有单数的加后缀“变”小了的词,其冠词都是het
(三)“变”小了的词的复数冠词也必须是de.
1.2 不定冠词
Een 是不定冠词,用法跟英文同。如:
a child = een kind
an accident = een ongeluk
例子:
单数 "变"小 复数 复数“变”小
het huis het huisje de huizen de huisjes
1.3 人称代词
ik 我
jij (je) u 你
hij, zij, het 他,她,它
wij (we) 我们
jullie, u 你们
zij (ze) 他们
jij, zij 及 wij 是非强调形式,常用于朋友和熟人之间,非强调形式
的 je, ze 及 we 用得比其强调形式更普遍。
jij (你) 和 jullie (你们) 一般在家人或熟人中用。
U (您,您们) 在跟生人或长者交谈时用,U是正式形式,常大写。
1.4 所有格形容词
单数
mijn 我的
jouw, (je), uw 你的
zijn, haar, zijn 他的,她的,它的
复数
ons, onze 我们的
jullie, uw 你们的
hun 他们的
je - 非正式,非强调,jouw - 非正式但强调,uw - 正式
所有格形容词 ons 用在中性名词前面而 onze 用在阳性和阴性名词以及
所有名词复数前面。
如:
de dochter mijn dochter je, uw dochter onze dochter onze dochters
the daughter my daughter your daughter our daughter our daughters
例句:
Het boek is van mij.
>>> Het is mijn boek.
这是我的书。
Het kind is van jou.
>>> Het is jouw kind.
这是你的孩子。
De zoon is van hem.
>>> Het is zijn zoon.
这是他的儿子。
Het huis is van haar.
>>> Het is haar huis.
这是她的房子。
De dochter is van hen.
>>> Het is hun dochter.
这是他们的女儿。
1.5 to be 及 to have
zijn (to be)
Ik ben 我是
jij bent 你是
hij, zij, het is 他, 她, 它是
wij, jullie, zij zijn 我们,你们,他们是
例句:
Het Kind is tien.
这孩子10岁。
Wij zijn familie.
我们是一家子。
hebben (to have)
Ik heb 我有
jij hebt 你有
hij, zij, het heeft 他,她,它有
wij, jullie, zij hebben 我们,你们,他们有
例句:
Dit kind heeft geen familie.
这个孩子没有家庭。
Ik heb twee broers en een zuster.
我有两个弟弟和一个妹妹。
1.6 一般问句
一般问句中,动词要放到主语前面:
Je hebt een huis.
>>> Heb je een huis?
你有一幢房子吗?
Hij is een man.
>>> Is hij een man?
他是个男人吗?
Zij hebben een dochter.
>>> Hebben zij een dochter?
他们有个女儿吗?
wij hebbeneen zoon.
>>> Hebben wij een zoon?
我们有个儿子吗?
1.7 数词
een - eerste one - first
twee - tweede two - second
drie - derde three - third
vier - vierde four - fourth
vijf - vijfde five - fifth
zes - zesde six - sixth
zeven - zevende seven - seventh
acht - achtste eight - eighth
negen - negende nine - ninth
tien - tiende ten - tenth
elf - elfde eleven - eleventh
twaalf - twaalfde twelve - twelfth
dertien - dertiende thirteen - thirteenth
veertien - veertiende fourteen - fourteenth
vijftien - vijftiende fifteen - fifteenth
zestien - zestiende sixteen - sixteenth
zeventien - zeventiende seventeen - seventeenth
achttien - achttiende eighteen - eighteenth
negentien - negentiende ninetteen - nineteenth
twintig - twintigste twenty - twentienth
荷兰语语法:动词
2.1 弱变化动词 基本规律
动词 werken (to work) 可做为 弱变化动词 的代表,在动词变格时,它的词
干 werk 不发生变化。
荷兰语经常用现在完成时来描述过去发生的事情,它可以翻译成英文的现在完
成时或过去时。如:
Ik heb haar gezien.
可以翻译成:
I have seen her. 或 I saw her.
(一)Het werkwoord "werken" (The verb "to work") 动词 “工作”
人称 不定式 过去式 现在完成时
单数
1 ik werk werkte heb gewerkt
2 jij werkt werkte hebt gewerkt
3 hij werkt werkte heeft gewerkt
3 zij werkt werkte heeft gewerkt
3 het werkt werkte heeft gewerkt
复数
1 wij werken werkten hebben gewerkt
2 jullie werken werkten hebben gewerkt
3 zij werken werkten hebben gewerkt
(二)Het werkwoord "luisteren" (The verb "to listen") 动词 “听”
单数
1 ik luister luisterde heb geluisterd
2 jij luistert luisterde hebt geluisterd
3 hij luistert luisterde heeft geluisterd
3 zij luistert luisterde heeft geluisterd
3 het luistert luisterde heeft geluisterd
复数
1 wij luisteren luisterden hebben geluisterd
2 jullie luisteren luisterden hebben geluisterd
3 zij luisteren luisteren hebben geluisterd
动词词干最后一个字母如 t KoFSCHiP 中所列的字母之一:,则变格使用 t,否则用 d。
动词 词干 最后的字母在 t kofschip 里面吗? 过去时 过去分词
werken werk 有 -> k werkte(n) gewerkt
luisteren luister 没有 -> r luisterde(n) geluisterd
branden brand 没有 -> d brandde(n) gebrand
fietsen fiets 有 -> s fietste(n) gefietst
praten praat 有 -> t praatte(n) gepraat
(三)其它常见的弱变化动词:
wandelen 溜达, 去散步
poetsen 刷
fietsen 骑自行车
branden 烧
winkelen 买东西
antwoorden 回答
regenen 下雨
tekenen 拉
oefenen 练习
zeilen 航海
2.2 在变格中词尾 d 字母的重叠
(一)Het werkwoord wonen (to live) 动词“居住”
人称 不定式 过去式 现在完成时
单数
1 ik woon woonde heb gewoond
2 jij woont woonde hebt gewoond
3 hij woont woonde heeft gewoond
3 zij woont woonde heeft gewoond
3 het woont woonde heeft gewoond
复数
1 wij wonen woonden hebben gewoond
2 jullie wonen woonden hebben gewoond
3 zij wonen woonden hebben gewoond
注意:wonen的词干有两个oo。
(二)Het werkwoord branden (to verb to burn) 动词“燃烧”
单数
1 ik brand brandde heb gebrand
2 jij brandt brandde hebt gebrand
3 hij brandt brandde heeft gebrand
3 zij brandt brandde heeft gebrand
3 het brandt brandde heeft gebrand
复数
1 wij branden brandden hebben gebrand
2 jullie branden brandden hebben gebrand
3 zij branden brandden hebben gebrand
“branden”的词干结尾是“d” (brand),加上“de(n)”就有了两个“d”
2.3 to be 及 to have
(一)“to have”的时态 - Tijden van “hebben”:
人称 不定式 过去式 现在完成时
单数
1 ik heb had heb gehad
2 jij hebt had hebt gehad
3 hij heeft had heeft gehad
3 zij heeft had heeft gehad
3 het heeft had heeft gehad
复数
1 wij hebben hadden hebben gehad
2 jullie hebben hadden hebben gehad
3 zij hebben hadden hebben gehad
(二)“to be”的时态 - Tijden van “zijn”:
单数
1 ik , ben was ben geweest
2 jij bent was bent geweest
3 hij is was is geweest
3 zij is was is geweeest
3 het is was is geweest
复数
1 wij zijn waren zijn geweest
2 jullie zijn waren zijn geweest
3 zij zijn waren zijn geweest
2.4 表示行为和状态的动词在完成时中该用zijn还时用hebben做助动词?
(一)
表示行动或状态的动词如:“komen” (来), “gaan”(去), “worden”(变成),
“gebeuren”(发生) “zijn”(是)等,还有其它动词像“fietsen(骑自行车)”,
“zwemmen”(游泳), “rijden”(开车), “vertrekken”(离开),“lopen”(步行)
等, 如果它们表达的是到达某目的地的动作,则用“zijn”做助动词。
(二)
不好分清时,记住行为用hebben,状态用zijn。此时状态包括:行动到某个目标或
改变状态。
(三)
有些动词既可表示行为,也可以表示状态,如lopen, rijden 和 fietsen,若目的
地已经指明,且到达此目的地需要行为,则用 zijn。请看:
Zij heeft langzaam gelopen. 她慢慢地步行。(行为)
Zij is naar het station gelopen. 她步行去车站了。(状态)
(四)
状态还是行为?
状态 (situation)
ik ben gekomen
jij bent gekomen
hij is gekomen
wir zijn gekomen
jullie zijn gekomen
zij zijn gekomen
ik ben gegaan
jij bent gegaan
hij is gegaan
wij zijn gegaan
jullie zijn gegaan
zij zijn gegaan
De trein is vertrokken. (火车离开了)
Het is gebeurd. (事情发生了)
Er is koud geworden (天气变冷了)
Hij is geboren (他出生了)
Hij is gestorven (他死了)
Zij is getrouwd (她结婚了)
行为 vs 状态
Ik heb gefietst
我骑了自行车
Ik ben naar huis gefietst
我骑自行车回家了
Hij heeft gelopen
他步行了
Hij is naar Amsterdam gelopen
他步行去阿姆斯特丹了